In het jaar 105 na Christus werd in China het Papier uitgevonden. Er bestonden voordien al wel beschrijfbare en bedrukbare bladen als Papyrus en Perkament. Pas in de Middeleeuwen kwam de techniek van het papierscheppen naar Europa.

Door de uitvinding van de boekdrukkunst werd de vraag naar papier steeds groter. De papierindustrie op de Veluwe ontwikkelde zich goed en rond 1740 zijn er op de Veluwe 168 papiermolens. Zowel voor de aandrijving van de molen als voor de productie van het papier gebruikte men het water van de Loenense beek. Doordat de watertoevoer niet constant was (veel water in het voorjaar en in de herfst, minder in de zomer en te weinig in de winter), was een regelmatige productie niet het hele jaar mogelijk. Met de komst van de stoommachine en later elektriciteit ging men over op machinale productie en kon men ook tijdens de wintermaanden blijven produceren. Met de stoommachine was er bovendien ook warmte beschikbaar om het papier snel te drogen.

De Middelste Molen is de enige authentieke door waterkracht aangedreven producerende papierfabriek in Nederland. De productie, enige malen per week, gebeurt zowel machinaal als met de hand. Het proces is nog steeds hetzelfde als bijna 400 jaar geleden.

Het Proces

Vroeger werd papier gemaakt van lompen. Een groep van 6-8 vrouwen scheurden de lompen kapot. Dat was een vies karweitje, een echte luizenbaan. De lompen werden gekookt in een ketel met water en een beetje loog, net zolang tot de lompen zacht werden. Vanuit de kookketel ging het in de hamerbak waar het werd verpulverd. Later werd de hamerbak vervangen voor de kollergang. Hierna werden ze vermalen in een zogenoemde "Hollander".

Tegenwoordig gebruikt men bijna geen vodden en lompen meer. Veel kleding wordt tegenwoordig gemaakt van kunststof. Dit is niet meer te gebruiken als grondstof voor het maken van papier. Grondstoffen zijn tegenwoordig natuurlijke vezels van pure katoen en linnen, hennep, (cellulose manilla (abaca) van de bananenboom) en houtcellulose (naaldhout).

De pulp wordt vanuit de Hollander gestort in een grote roerkuip. Hierin wordt de pulp rond geroerd zodat de vezels los in het water blijven zweven. Een kettingpomp stort de pulp, in gelijkmatige porties, op een eindeloos rondlopende zeef van kopergaasvan de langzeefmachine, met een snelheid van 5 meter papier per minuut. De breedte van het papier is op deze machine instelbaar.

Het water zakt door de mazen van het kopergaas en wordt opgevangen voor hergebruik. Hierna wordt de papierstof door een paar walsen verder uitgeperst. Soms worden er tijdens dit proces dingen toegevoegd als zaden, bloemetjes of geldsnippers om het papier een eigen karakter te geven.

Aan het eind van de langzeefmachine wordt het nog natte papier afgesneden tot losse vellen en met de hand op draaiende droogcilinders gelegd. Deze ronde trommels worden verwarmd met stoom. Hierop draaien de papiervellen rond tot ze droog zijn. Voordat de stoomdroogmachine uit 1895 in gebruik was werden de losse vellen papier opgehangen tot ze droog waren.

Met mooi weer was het papier in 2 dagen droog, met slecht weer duurde het soms wel vijf dagen. Met de stoomdroogmachine is het papier in een paar minuten droog.

Eindresultaat: zuurvrij papier, klaar voor verdere verwerking tot bijvoorbeeld aquarelpapier.