Het belang van de beken en sprengen op de Veluwe

De Middelste Molen staat in een schitterende omgeving aan de Loenense beek op de zogeheten Oost-Veluwezoom. Een landschap met prachtige landgoederen, bossen, uiterwaarden, heidevelden en meer dan 50 beken.

De Loenense beek is verrassend genoeg geen "natuurlijke" beek maar een zogeheten spreng. Een spreng is een beek die gegraven is om continu water, maar vooral ook waterkracht te leveren. De Romeinen gebruikten voor het eerst stromend water om bijvoorbeeld een waterrad aan te drijven om energie op te wekken. De eerste sprengen zijn in de 11e eeuw gegraven voor de olie- of graanmolens, maar het merendeel is aangelegd in de 16e en 17e eeuw toen de Veluwse papierindustrie belangrijk begon te worden. Rond 1740 zijn er op de Veluwe 168 papiermolens met 188 raderen. Toen rondom 1900 vele papiermolens het loodje legden vanwege de opkomst van andere energiebronnen, werden ze vaak omgebouwd tot wasserij.

Sprengen zijn karakteristiek voor het landschap van de Veluwe met zijn hoogteverschillen. Die hoogteverschillen zijn ongeveer 150.000 jaar geleden ontstaan. Nederland was toen in de één na laatste ijstijd voor een groot deel bedekt met ijsmassa's. Enorme gletsjers duwden de bodem opzij en maakten wat we stuwwallen noemen. En het smeltwater, dat met grote snelheid en in enorme hoeveelheden van de heuvels naar beneden stroomde, sleepte diepe dalen uit in de bodem. Vanaf zo'n 75.000 jaar geleden tijdens de laatste ijstijd was de Veluwe niet met ijs bedekt. Er groeide vrijwel niets en de wind verplaatste enorme hoeveelheden zand vanuit de toen droog liggende Noordzee naar het oosten. De Veluwe werd bedekt met dikke lagen zand. Het grootste deel van het regenwater zakte snel weg in het zand, werd tegengehouden door ondoordringbare kleilagen en vormde een enorme grondwatervoorraad. Aan de rand van de stuwwallen kwam het grondwater dicht bij de oppervlakte. Een proces dat tot op de huidige dag almaar voortduurt.

In de 11e eeuw maakte men voor het eerst dankbaar gebruik van het hoge grondwater. Op de drassige plekken groef men een gat en vanuit dat gat een sleuf waar grondwater in liep: het begin van een spreng. Benedenstrooms werden aan weerszijden van de spreng dijkjes aangelegd, zodat de spreng hoger kwam te liggen dan het omliggende land. De bodem en de zijkant van de spreng maakte men "waterdicht" met een ondoordringende leemlaag. Zo legde men kilometers lange kanaaltjes met voortdurend stromend water aan. De enorme grondwaterbel onder het zand van de Veluwe zorgt voor een vrijwel continue aanvoer van helder zoetwater. De sprengen hebben nog steeds een grote taak door het leveren van water en energie. Bovendien staan ze bekend om hun karakteristieke natuur. Doordat het water van de sprengen altijd vrij koel, niet verontreinigd en veelal zuurstofrijk is, hebben bijzonder interessante planten- en diersoorten de spreng als leefgebied ontdekt. Vogels die te vinden zijn rond stromend water zijn bijvoorbeeld IJsvogel, Grote gele kwikstaart, Waterspreeuw en Oeverzwaluw.

De sprengen zijn door hun aanleg erg kwetsbaar. Ze moeten bijvoorbeeld voorzichtig schoongemaakt worden om lekprikken te voorkomen. Ook kunnen de dijkjes makkelijk vertrapt worden door mens en vee. En met het verdwijnen van het economisch nut verdween ook het onderhoud van de sprengen. De Bekenstichting, opgericht in 1979, beijvert zich om de sprengen in stand te houden en waar nodig terug te brengen in de oorspronkelijke vorm. Zij geeft ook diverse publicaties uit over de ontstaansgeschiedenis en de karakteristieke natuurwaarden van de sprengen en beken.

Wie bij de Middelste Molen op bezoek gaat, rijdt en/of wandelt kilometers lang langs het Apeldoorns kanaal. De Loenense beek kruist het Apeldoorns kanaal. Grappig is dat de Loenense beek onder het Apeldoorns kanaal doorloopt. Het kanaal, gegraven in de 19e eeuw, was vooral belangrijk voor de industrie. In 1972 werd het kanaal definitief voor de scheepvaart gesloten. Het heeft nu nog steeds een functie voor de waterhuishouding en het is recreatief en landschappelijk van belang.